Foto Elise Hall

Elise Boyer Coolidge Hall.

Biografie en opdrachten van Amerika's eerste saxofoniste.
And if a musicologist of the year 2000 should shake his head in wonder over the remarkable fact that every French composer of the 20th century - Debussy, d'Indy not excepted - as well Martin Loeffler wrote one composition for the saxophone, let him look to Boston and Mrs. R.J. Hall for the answer.
Carl Engel, in: Musical Quarterly, Vol.11, no.3 (july 1925) p.326.

Deze scriptie werd geschreven in het kader van het kandidaatsexamen muziekwetenschap aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Veel dank ben ik verschuldigd aan Prof. Dr. M.H. Flothuis voor zijn deskundige begeleiding.
© Maaike Gerlsma, december 1983



Inleiding

Mijn belangstelling voor Elise Hall dateert al van jaren terug, toen ik steeds meer aan haar opgedragen muziekstukken zag. Bij pogingen meer te weten te komen, ontdekte ik namen van mensen, die hetzelfde probeerden te doen. Deze belangstelling stamt al vanaf de tijd dat de brieven van Debussy gepubliceerd werden (± 1930), waarin Debussy melding maakt van une femme saxophone, die hem om het haar beloofde stuk kwam vragen.
Ondanks de belangstelling bleef de kennis omtrent Mrs. Hall beperkt. De weinige gegevens werden vaak verwerkt tot verhalen. Dit leverde naast schaarse, ook onjuiste informatie op, wat mijn onderzoek niet vergemakkelijkte (zie bijlage I).

Waarom was er belangstelling voor deze presidente van de Orchestral Club te Boston?

  1. Het aantal saxofooncomposities, dat aan haar opgedragen is, is groot; (nog) lang niet alle werken zijn in druk verschenen.
  2. Elise Hall zorgde voor een betere bekendheid van het publiek met de saxofoon, door zelf concerten te geven met de aan haar opgedragen composities. Het tweede punt hangt sterk samen met het eerste, het geven van opdrachten aan componisten. Immers, rond 1900 was de ontwikkeling van de saxofoon plus minus zestig jaar aan de gang. Buiten enkele originele werken, meestal variatievormen à la "Carnaval de Venise", was men aangewezen op transcripties.
  3. Elise Hall was, vooral in Frankrijk, waar zij ook concerten gaf, een unicum. In Frankrijk kon men als vrouw viool, piano, harp, zang of violoncel beoefenen, een vrouw die een blaasinstrument bespeelde, was iets heel bijzonders, zoals blijkt uit een artikel uit "Le Monde Musical" (10):
    Le récent débat soulevé par la question feminine au Conservatoire a montré la place importante prise par les jeunes filles dans les classes instrumentales, mais jusqu'à ce jour leur soidisant envahissement n'avait jamais atteint les classes d'instruments à vent.
    Dat de Verenigde Staten Frankrijk ver vooruit waren, blijkt uit de hierop volgende alinea's:
    La venue de Mrs. Hall à Paris a montré que la France était restée à ce point de vue très en retard sur l'Amerique.
    L'exemple de Mrs. Hall n'est pas, en effet, un cas isolé et, dans l'orchestre dont elle fait partie à Boston, une bonne partie des pupitres des "vents" est occupée par des dames.
Het vergaren van informatie over deze scriptie bleek niet gemakkelijk omdat tijdschriften uit de periode rond 1904 in Nederlandse bibliotheken niet aanwezig of incompleet waren. Het New England Conservatory te Boston, dat de "Hall" collectie beheerd, bleek niet bereid mee te werken aan het verstrekken van gegevens, zelfs niet aan Amerikanen, die een dissertatie over dit onderwerp voorbereiden. Van de niet uitgegeven stukken liggen de manuscripten voor zover bekend alle in het New England Conservatory ter inzage. Fotocopiëren is ten strengste verboden.
Veel medewerking heb ik gekregen van William H. Street uit Evanston, Illinois, die een dissertatie voorbereidt, en Irving Levin, die mij naar Kenneth Radnofsky verwees. Deze laatste werkt aan een boek over Elise Hall en de Orchestral Club of Boston. hij heeft al enige artikelen geschreven over dit onderwerp in het saxofoontijdschrift Saxophone Sheet (12 en 13). De Bibliothèque Nationale in Parijs bezit enkele reeds gedrukte partituren uit de collectie; ik mocht enkele hiervan copiëren.
In deze scriptie heb ik een hoofdstuk over Boston rond 1900 opgenomen, ter verduidelijking van de situatie waarin Elise Hall en de Orchestral Club verkeerden. Deze informatie komt grotendeels uit Grove's Dictionary (1).

Ik hoop, dat onder andere deze scriptie een aanzet zal zijn tot het vrijkomen van informatie vanuit het New England Conservatory en dat, binnen afzienbare tijd, de manuscripten voor uitgave gereed gemaakt zullen worden. De saxofoonliteratuur zal erdoor verrijkt worden.


Boston

Het eerste openbare concert vond plaats in 1731 in Mr. Pelham's Great Room, aldus het artikel in Grove's Dictionary. Het eerste professionele orkest werd opgericht door Gottlieb Graupner, voormalig hoboïst in Londen ten tijde van Haydn's aanwezigheid aldaar. Na zijn vestiging in Boston richtte hij naast het genoemde professionele orkest ook de Handel and Haydn Society op en leidde deze. Dit was een amateur koor en orkest, dat zich beijverde voor uitvoeringen van oratoria van Handel en Haydn.
Vanaf 1849 trad de Germania Musical Society regelmatig op in Boston. Deze Society bestond uit Duitse musici, die werken van de Weense klassieken, Mendelssohn, Berlioz en de vroege Wagner introduceerden in de Verenigde Staten.
Omstreeks 1880 werd het Boston Symphony Orchestra opgericht door Henry Lee Higginson. Hij betaalde een groep van 68 musici een vast jaarsalaris en subsidiëerde de concerten. Er waren meer muziekgroepen, die financieel gesteund werden door rijke inwoners van Boston. De Handel and Haydn Society bezat een garantiefonds.
Ook andere kunst werd in Boston een warm hart toegedragen door de beter bedeelden. Een voorbeeld is Isabella Stewart Gardner, die na haar dood een enorme collectie van onder andere schilderijen en beelden naliet aan het naar haar genoemde museum.
Omstreeks 1900 kwamen maar liefst vier concertzalen, waaronder de Boston Symphony Hall en Jordan Hall van het New England Conservatory tot stand met behulp van particuliere gelden.
Tot het begin van deze eeuw was elk soort muziek in Boston aan bod gekomen, behalve de opera. Gezelschappen trokken wel naar Boston om uitvoeringen te geven, maar Boston zelf kreeg pas in 1908 de Boston (Grand) Opera Company. Men nodigde buitenlandse dirigenten uit om hun nationale opera's te dirigeren.
In 1910 kwam André Caplet naar Boston om er vier jaar lang vele eerste Amerikaanse uitvoeringen van Franse composities te geven, waaronder Pelléas et Mélisande en L'enfant prodigue van Debussy en Louise van Charpentier.
Ook Higginson, de financier van het Boston Symphony Orchestra zorgde voor bekende buitenlandse dirigenten en solisten. Vaak waren dit Duitse en Oostenrijk-Hongaarse musici, zoals Wilhelm Gericke, Arthur Nikisch, Emil Pauer en Karl Muck.
In 1918 werd Karl Muck, wegens vijandigheden jegens de staat (hij wilde niet vóór een concert het Amerikaanse volkslied spelen) gearresteerd en vervangen door Henri Rabaud. In 1919 werd deze laatste opgevolgd door Pierre Monteux. Onder invloed van de Eerste Wereldoorlog veranderde het repertoire van voornamelijk Duits in Frans.
De opleving van Franse muziek in de programma's van het Boston Symphony Orchestra werd voorafgegaan door activiteiten van twee Frans gezinde groepen, die alles deden om Franse muziek te propageren. Onder leiding van Georges Longy werden moderne Franse werken ingestudeerd en uitgevoerd door de Longy Club (een professioneel blaasensemble) en de Orchestral Club (een amateur symfonie orkest). Van dit laatste orkest was Elise Hall één van de oprichters en de voornaamste financier.

Elise Hall (1852-1924).

1852-1897

Elise Boyer Coolidge werd in 1852 geboren. De Coolidges waren een prominente familie in Boston. Een groot deel van haar jeugd bracht Elise door in Frankrijk. Rond 1880 trouwde zij met Richard John Hall, een chirurg uit New York. Richard Hall richtte het Cottage Hospital in Santa Barbara (Californië) op. Na haar huwelijk begon Mrs. Hall langzamerhand doof te worden. Haar man raadde haar aan een blaasinstrument te gaan spelen, opdat zij de gehoorresten, die zij nog bezat zou behouden (13).
Sommige schrijvers menen, dat Elise aan astma leed. Om verschillende redenen voel ik het meest voor de eerstgenoemde veronderstelling. En wel:
  1. Renée Longy, de dochter van Georges Longy, heeft Elise Hall persoonlijk gekend. In een interview met Kenneth Radnofsky (12) herinnert zij zich dat het er bij de lessen van haar vader (hij fungeerde als een soort coach) aan Mrs. Hall zeer luidruchtig toeging. ...we could hear her from our house... (Mrs. Hall placht 's zomers in Frankrijk te verblijven. Zij huurde het huis naast dat van Longy. Zo kon zij toch elke dag thuis lessen blijven ontvangen) ...hear my father shout at her because he had to really talk very loud to be heard. And she didn't wear any hearing aid or anything like that...
  2. Dat men hardhorend is, hoeft nog geen bezwaar te zijn om een blaasinstrument te bespelen. De trillingen worden bij het spelen via de botten van het gezicht doorgegeven aan het trommelvlies. Dit geeft een veel direkter geluid dan wanneer men via de lucht getransporteerde geluiden opvangt met het oor. Het geluid van een blaasinstrument is beter op te vangen door een hardhorende, die dit instrument bespeelt, dan bijvoorbeeld een piano of geluiden "van buitenaf".
  3. Astma is een aandoening aan de luchtwegen. Ademhalingsoefeningen kunnen verlichtend werken op de patiënt, maar een blaasinstrument bespelen (de blokfluit vormt een uitzondering omdat hij lichter bespeelbaar is) wordt vaak afgeraden of zelfs verboden (zie bijlage I, opmerking 4).
In Santa Barbara zocht het echtpaar Hall een blaasinstrumentleraar en men vond iemand die saxofoon speelde. Het was dus op puur praktische gronden dat Elise Hall de saxofoon koos. Mrs. Hall werd een ijverige leerlinge.

1897-1924.

In 1897 overleed Richard Hall zeer plotseling aan typhus. Mrs. Hall keerde naar Boston terug met haar twee dochters. Zij zocht weer kontakt met oude kennissen (velen uit de medische kring van Boston) die als hobby muziek beoefenden. Zij ontmoetten elkaar regelmatig om te repeteren voor een concert of om concerten te organiseren, vaak bij elkaar thuis.
In 1900 werd besloten een echte leider aan te stellen en een club op te richten. Georges Longy was in 1897 naar Boston gekomen als eerste hoboïst van het Bostons symfonieorkest; deze fransman nam het aanbod van de muziekclub met beide handen aan.
Elise Hall financierde vanaf 1904 de Orchestral Club, zoals de naam luidde van het nieuwe ensemble, alleen. Niet alleen besteedde zij het geld aan het organiseren van concerten, maar zij gaf vaak opdrachten aan eigentijdse componisten, om stukken voor saxofoon en orkest te componeren.
In Boston zocht Elise Hall weer een saxofoonleraar. Ongetwijfeld vond zij er één, maar tot nu toe is niet bekend wie dit was. Georges Longy werd later haar "coach".
Volgens Renée Longy (12) speelde Mrs. Hall goed en was spelen haar lust en haar leven. En hoe dachten critici over het spel van Elise Hall? In de Boston Daily Evening Transcript van 8 januari 1903 lezen we het volgende:
The solo part was very beautifully played by Mrs. R.J. Hall, who is developing more and more into an artist after going through several preliminary phases of amateurism. Not that she is a professional now, but she might be if she chose. (3, p.433)
In 1904 nodigde Vincent d'Indy Mrs. Hall uit zijn Choral varié uit te voeren in een programma van de Société Nationale de Musique in Parijs (zie bijlage II). Philippe Moreau schreef over Elise Hall en haar saxofoon in Le Monde Musical (10):
Mme Elise Hall s'est fait applaudir dans le Choral varié pour saxophone de M. Vincent d'Indy, de forme beethovénienne. Il fallait tout le talent de Mme Hall et toute la science de M. d'Indy pour donner du relief à cet instrument, dont le timbre indéfini se mélange jusqu'à disparâitre, avec celui de n'importe quel autre pupitre.
Een heel ander beeld van ditzelfde concert schotelt J. Sauerwein ons voor (14):
...A citer aussi le choral un peu déconcertant de d'Indy pour saxophone et orchestre. Mme. Hall s'est servie de cet instrument avec timidité et incertitude. Heureusement pour elle, M. Cortot veillat...
In 1905 speelde Elise Hall weer in Parijs, nu met vier stukken: een herhaling van het Choral varié, Légende van Caplet (met strijkers en blazers), Lento van Longy en Divertissement espagnol van Charles Loeffler. Auguste Mercadier schreef (11):
Toutes ces pièces furent jouées par Mme Hall sans aucune défaillance, avec une jolie sonorité et un art des plus distingués.
Op 11 maart 1912 gaf de Club zijn laatste concert. Elise Hall speelde (op zestig jarige leeftijd) de première van Poème Elégiaque van Philippe Gaubert en een herhaling van Sibéria van Henri woollett; volgens de criticus:
...a fantastically imaginative and poetic piece, well developed and dramatic in atmosphere. (3, p.466)
Hierna is weinig meer bekend over Elise Hall, behalve de aan haar opgedragen stukken die na dat jaar nog verschenen: Andante en Concertstück van Jean (Louis Charles) Huré (1915), Suite van Gabriel Grovlez (1915), Légende van Florent Schmitt (1918) en Fantaisie Mauresque van François Combelle (1920).
In 1924 is Elise Hall overleden.

The Orchestral Club of Boston.

Georges Longy, hoboïst van het Bostons symfonie orkest, was in Frankrijk enkele jaren dirigent geweest van "La Société de Musique de Chambre pour Instrument à Vent". (13)
In Boston werd hij niet alleen leider van de Orchestral Club maar ook van de Longy Club (een professioneel blaasensemble) en richtte hij in 1916 de Longy School op, waar als eerste school in de Verenigde Staten het mogelijk was op de Franse manier solfège onderwijs te krijgen. Mrs. hall sponsorde naast de Orchestral Club ook de Longy Club en de Longy School.
Longy gaf alle spelers van de Orchestral Club les, dirigeerde de groep en gaf achtergrondinformatie over de moderne, voornamelijk Franse stukken, die gespeeld werden. De Amerikaanse premières van onder andere L'après-midi d'un Faune van Debussy werd door deze groep gegeven (13). De groep werd, wanneer het nodig was, versterkt met enkele professionele musici uit het Bostons symfonie orkest (12). Hier zorgde Longy voor.
De Boston Daily Evening Transcript van 12 maart 1912 schreef over de Club het volgende:
For some years the Orchestral Club has filled a unique position in Boston musical life, for it afforded an opportunity to hear many pieces of modern French composters, which would otherwise be unheard in Boston. (3, p.445)
Op pagina 2 werd reeds melding gemaakt van het grote aantal vrouwelijke blazers. In hetzelfde artikel in Le Monde Musical (10) lezen we verder:
...les instruments de fabrication française sont exclusivement en usage dans cet orchestre.
Van Renée Longy (12) vernemen we dat de Boston Orchestral Club in eerste instantie een "fun orchestra" was. De muziek die ze speelden, werd niet interessant genoeg bevonden en de animo verdween bij sommige leden. Na zijn aanstelling als dirigent begon Longy serieuze muziek uit te zoeken, die, hoewel ze soms te moeilijk bleek, toch met veel enthousiasme bestudeerd werd.
Gedurende enkele jaren gaf de Club twee concerten per jaar in januari en april. Na 1908 werd dit nog maar één concert per jaar en na 1912 werd niets meer vernomen van deze opmerkelijke groep amateurs, die zich inzetten voor muziek, die in die tijd revolutionair was voor een Duits gezinde stad als Boston.
Componist Titel Jaar Bezetting M.S.
Boston
Druk
Charles Martin Loeffler Divertissement espagnol 1901 symfonieorkest ja  
Rapsodie ? vernietigd    
Ballade Carnavalesque ? fl hb sax fg piano ja  
Paul Gilson 1er Concerto 1902 saxofoon en symfonieorkest   Gervan
Georges Longy Impression 1903 ?    
André Caplet Légende 1903 hb cl sax fg strijk4 cb ja  
Claude Debussy Rapsodie 1901-1908 saxofoon en symfonieorkest ja Durand
Vincent d'Indy Choral Varié 1903 saxofoon en symfonieorkest ja Durand
Georges Sporck Légende 1905 saxofoon en symfonieorkest   Andrieu (Billaudot)
André Caplet Impression d'Automne 1906 verloren    
Georges Longy Rapsodie 1906 2cl(A) sax hrp 3pauk fg cb   Hurstel (uitverkocht)
Jules Mouquet Rapsodie 1907 saxofoon en kamerorkest ja Evette & Schaeffer
(Leduc, uitverkocht)
Henri Woollett Octuor no. 1 (c klein) 1909-1911? hb cl sax strijk4 cb incompl.  
Sibéria 1911 ? ja  
Léon Moreau Pastorale 1910 saxofoon en symfonieorkest ja Leduc
Paul Dupin Chant pour saxophone
"A ceux qui partent"
1910 koor, SSATBB 2harp 4altviool saxofoon ja  
Philippe Gaubert Poème élégiaque 1911 saxofoon en symfonieorkest ja  
Gabriel Grovlez Suite 1915 sax strijk5 fl hrn hrp ja ¹
Jean Huré Andante 1915 strijkers 2hrp pk orgel sax ja  
Concertstück ? saxofoon en orkest ja  
Florent Schmitt Légende op. 66 1918 saxofoon en symfonieorkest   Durand
François Combelle Fantaisie Mauresque 1920 saxofoon en piano   Henri Selmer
(uitverkocht) ¹
¹ Bibliothèque National, Parijs

N.B. Zoals uit bovenstaande lijst blijkt, gaat Carl Engel (zie het eerder vermelde motto) te ver met zijn formulering every French composer; het zijn onder andere Ravel en Roussel die ontbreken.


De opdrachten.

Via Longy legde Elise Hall contact met Franse componisten waarvan velen de Prix de Rome hadden gewonnen en dus dé belangrijke componisten van die dagen in Frankrijk waren (onder andere Schmitt, Mouquet, Debussy, Moreau en Gaubert).
Tot nu toe zijn 22 stukken bekend, waartoe Mrs. Hall opdracht gegeven heeft. De Rapsodie van Charles Loeffler is vernietigd door de componist.
The work was less than unimportant and hence its destruction is of no loss to the world (3, p.432)
Impression d'Automne van André Caplet is verloren gegaan. Impression van Georges Longy is onvindbaar.
Van de 19 overige stukken zijn er eens negen uitgegeven geweest, waarvan er vier nog makkelijk te verkrijgen zijn, twee schaars worden en drie uitverkocht zijn. Met toestemming van uitgeverij Leduc en de Bibiothèque nationale mocht ik de Rapsodie van Jules Mouquet en de Rapsodie van Georges Longy copiëren.
De overige tien werken zijn in manuscript aanwezig in het New England Conservatory. Zij zijn in bruikleen gegeven door de nabestaanden van Mrs. Hall.
De bezettingen variëren zeer. Er zijn solo-concerten, symfonische- en kamermuziekwerken bij. Slechts één werk is voor saxofoon en piano geschreven (Fantaisie Mauresque van François Combelle).
De enige informatie over de niet uitgegeven werken is te verkrijgen uit krantenberichten: de manuscripten liggen op microfilm ter inzage in Boston.
...interest was aroused by Mr. Loeffler's new Divertissement espagnol. it is simply capital. It seizes hold upon the attention with the very first measure and never lets it go to the end:... (3, p.431)
Dit stuk schijnt het eerste echt orkestrale werk geweest te zijn van Charles Loeffler en de eerste opdracht van Mrs. Hall aan een componist. Het werd op 29 januari 1901 uitgevoerd in Copley's Hall in Boston. De criticus besteedde ruime aandacht aan dat nieuwe instrument, de saxofoon. Een van de voordelen van de saxofoon beschrijft hij als volgt:
...At certain points of the composition it made a better medium between the clarinet and the bassoon - because it is at once contrasting and blending with both - than the english horn or any other of the more usual instruments (3, p.431)
Het Octuor no.1 van Henri Woollett voor hobo, klarinet, altsaxofoon, strijkkwartet en contrabas blijft volgens Hemke (3, p.443) onuitgevoerd.
Woollett, native of Le Havre and a student of massenet and André Caplet, wrote what appears to be a most interesting composition. The work deserves a performance (3, p.443).
Van zijn werk Sibéria-Poème Symphonique uit 1909-1910 shrijft een criticus in de Daily Transcript van 26 januari 1911:
His symphonic poem, Sibéria for saxophone and orchestra attracts at once an account of its individual character, its striking treatment of the orchestra, as well as the expressive role played by the saxophone. There is some analogy between this work and Glazanouv's [sic] Stenka Razin, both in program and in musical style, but there is still abundant individuality in Woollett's music. it is picturesque almost to the point of causing the listener to visualize the scene that it depicts. The saxophone is skillfully contrasted and combined with the orchestra;... (3, p.444)
Onlangs stuurde Kenneth Radnofsky me een programma toelichting (15) met hierop de Engelse vertaling van Sibéria, een tekst van Henri Woollett. Hoe deze tekst in het werk voor saxofoon en symfonieorkest is ingepast blijkt nergens.
In Sibéria: The stark white plain ... and, on the barely visible path a convoy of prisoners, deportees, painfully drag themselves in a long grim file between the ruts. This dispirited troop passes singing - they must forget the enormity of the trek. Their morose monotonous song is in rhythm with the muffled noises of steps in the snow, and the music comes once more to comfort these wretches and to relieve their boredom.
Imaginings become reality - listening to the wild dances of the gypies [sic] in the nightclub of St. Petersburg, bringingforth memories of a pleasurable existance. But the vision fades quickly under the twofold reality of intense cold and mortal exhaustion; for a moment one of the companions exhalts his complaint in fierce and savage song, and mononous [sic] song of the prisoners and the soldiers who escort them resumes the lassitude. The convoy passes and disappears in the distance... the plain again becomes a stark white: vague bits of sentences become imperceptible, as if dispersed in the air.
Engelse vertaling: Nancy Radnofsky, Bente Radnofsky
Gaubert's Poème élégiaque werd op het laatst bekende concert van de Club uitgevoerd (11 maart 1912).
Gaubert's Elégiac poème [sic] is unequal. It contains passages of decided poetry followed by ineffective episodes. It has one definite merit, that the saxophone is used in a telling manner with excellent understanding of its resources (3, 3-p.446).
Bij de stukken die in druk verschenen zijn, zitten interessante en minder interessante werken. Het Eerste Concerto van de Belg Paul Gilson is een minder interessant werk. Het feit dat Gilson een Belg was, is wel opvallend: slechts Loeffler en Gilson waren niet-Fransen in de groep van 18 componisten.
Het werk van Gilson stamt uit 1902 en draagt als opdracht: Aan Mvr El. Hall, voorzitster van Union Orchestra te Boston Mass. U.S.A.
Het concerto is een virtuoos werk met (te) veel noten; het is niet typisch voor de saxofoon geschreven: ook klarinet of hobo zouden dit stuk kunnen spelen. In dit werk is niets terug te vinden van de toelichting van Gilson als componist in Londeix (4)van:
R. Vannes:Sa culture extraordinaire, sa curiosité pour les nouvelles recherches de style...
P.Wolff: Les lignes mélodiques et la construction harmonique portent la trace de l'influence debussyste sur un goût très sûr.
Interessanter is de Rapsodie van Claude Debussy. Het New England Conservatory te Boston bezit het handschrift van dit werk, een particel. Helaas is deze slechts op zwart/wit microfilm te bestuderen. Het origineel is zwart/rood (3, 3-p.435). De Bibliothèque Nationale bezit een fotocopie van de microfilm. Het New England Conservatory heeft verboden verder copiëen van film of fotocopiën te maken.
De Bibliothèque Nationale bezit ook een manuscript (ms 1001) van dit werk, de partituur. Wiens handschrift dit is, is niet duidelijk. Hemke meent dat het van Roger-Ducasse is (3, 3-p.435), Londeix denkt aan Debussy zelf met aanvullingen van Roger-Ducasse (17), Reneé Domange (directeur van uitgeverij Durand) heeft verklaard dat Debussy het gehele ms 1001 heeft gemaakt (16).
Zelf heb ik autograaf en ms 1001 bestudeerd. De titelpagina van het handschrift uit Boston vermeldt het volgende:
"Rhapsodie Mauresque" pour orchestre et saxophone principal à Madame E. Hall, avec l'hommage respectueux de Claude Debussy (handtekening) (1901-1908)
De muziek is geschreven op drie en vier balken met viool- en bassleutel in duidelijk handschrift. Aanwijzingen over instrumentatie staan bij de betreffende partijen geschreven. Bij gebrek aan tijd heb ik slechts enkele plaatsen kunnen vergelijken met de gedrukte partituur (onder andere de maten die Londeix afwijkend heeft gevonden (17)
Ms 1001 is naar mijn mening door meerdere personen geschreven maar ik kon het autograaf niet met dit manuscript vergelijken.
Léon Vallas was waarschijnlijk de eerste die over het ontstaan van het werk schreef. In Claude Debussy et son Temps (5) schrijft hij:
Un peu avant l'explosion de son enthousiasme pour Rameau, désagrément d'un travail de commande: la Rapsodie pour saxophone, destinée à Mme Elisa [sic] Hall, présidente de l'Orchestral Club de Boston.
Op 8 juni 1903 schreef Debussy een brief aan Messager, waarin hij meldde dat la dame au saxophone aan de deur was geweest om naar haar stuk te informeren. Debussy had geen tijd voor de opdracht, beloofde het werk te componeren en vergat deze belofte.
In juli 1903 schreef Debussy aan Pierre Louÿs:
Etant donné que cette Fantaisie est commandée, payée, mangée depuis plus d'un an, il me semble que je suis en retard... (6)
Hij geeft toe de saxofoon slecht te kennen en vraagt advies aan Louÿs.
Op 17 mei 1904 trad Elise Hall op in een programma van de Société Nationale de Musique met Choral varié van Vincent d'Indy. Debussy bezocht dit concert, maar vond de saxofoon disgracieux en de vrouw die hem bespeelde bespottelijk in haar toilette rose (9). 11 september 1905 schreef Debussy aan zijn uitgever Durand:
Mme E. Hall, la Femme-Saxophone, me réclame poliment sa fantaisie; je voudrais bien la contenter car elle mérite une récompense pour sa patience. (6)
Tot zover verschillen de meningen nauwelijks. Slechts de periode van de opdracht verschilt aanzienlijk: van 1895 (18) tot het jaartal 1903 worden genoemd.
In de geciteerde brief aan Pierre Louÿs staat, dat de opdracht vóór juli 1902 heeft plaatsgevonden. Uit de datering op het handschrift (1901-1908) en dit citaat, blijkt dat de opdracht plaats gehad moet hebben tussen juli 1901 en juli 1902.
Vallas dateert de orkestratie op 1911. Debussy stuurde de compositie naar mrs. Hall in dat jaar. Vallas beschrijft dit manuscript als volgt:
...il n'en établit qu'un brouillon sur trois ou quatre portées, qui fut livré ainsi à Mme Hall. Il n'eut pas le courage d'en parachever l'écriture: il laissa en blanc quelques mesures, ne fixa pas le tracé de certains ponts (5).
De titel was inmiddels veranderd van Rhapsodie Orientale (8 juni 1903) in Rhapsodie Mauresque.
La partition ne devait être mise au point qu'en 1919 par Roger Ducasse: c'est le manuscrit de ce musicien qui figure parmi les collection des autographes de Debussy dans la bilbiothèque [sic] du Conservatoire de Paris (5)
Hemke heeft een andere mening over het brouillon dat Debussy naar Boston zond:
Debussy used only one side of the paper for the score of the Rapsodie writing in his typical three and four line shortscore form. The instrumentation noted in black pencil and red ink clearly indicates Debussy's intentions. The instrumentation indications in the short score correspond exactly to the final printed score. Only one small section is an exact repetition of a portion previously notated and appears as such in the printed edition. As in the Pelléas short score (New England Conservatory bezit een particel van de Pelléas in het handschrift van Debussy) Debussy occasionally numbered bars which, when repeated further along were identified by the use of correlating numbers, rather than a recopying of the entire measure. (3, 3-p.435)
Londeix denkt net als Hemke dat dit brouillon een nauwgezette weergave is van de later uitgegeven partituur (17). Twee verschillen merkt hij op:
Le dialogue confié entre les mesures 7 à 14 après E au saxophone et au cor anglais est là régulièrement alternée.

[image of music]

De plus il-y-a au saxophone une résolution mélodique de 3 notes, 2 mesures avant 9.

[image of music]

Quoique par ailleurs parfaitement notée, la partie orchestrale comporte un blanc relatif de 22 mesures à partir de la modulation 14 mesures après 9. A cet endroit, le compositeur n'a noté que les parties essentielles de violon et de hautbois.
Ik heb de opmerkingen van Londeix en gedeeltelijk die van Hemke kunnen controleren en ben van mening, dat dit autograaf veel aanwijzingen voor de orkestratie biedt. Hoever de medewerking van Roger-Ducasse gaat aan dit werk is slechts te beoordelen na gedetailleerde studie van de particel, ms 1001 en de gedrukte partituur door een musicoloog, die meer werken van Debussy gezien heeft. Hiervoor is medewerking noodzakelijk van het New England Conservatory die het handschrift zelf (en niet de microfilm) beschikbaar moet stellen voor onderzoek.
Als eerste uitvoering van de Rapsodie noemt Vallas 11 mei 1919 tijdens een concert van de Société Nationale de Musique. Mayeur speelde de saxofoonpartij en André Caplet leidde het geheel. (Er zijn verschillende Mayeurs bekend die saxofoon speelden. L. Mayeur was Sous-chef de musique au régiment de la Gendarmerie de la Garde impériale. Hij schreef een saxofoonmethode die in 1878 verscheen. A. Mayeur was solosaxofonist bij de opéra en bij de Société de Concerts du Conservatoire. Zijn saxofoonmethode verscheen in 1896). Jacques Desloges (19) meldt echter als datum 14 mei 1919 met als saxofonist François Combelle.
Na lang zoeken in de programma's van de Société Nationale de Musique bleek het programma van 11 of 14 mei er niet te zijn. Ook kranten- en tijdschriftartikelen waren niet te vinden, daar deze vlak na de Eerste Wereldoorlog onregelmatig of nog niet verschenen. Slechts één artikel in Le Courrier Musical (14) van Albert Bertelin is overgebleven. Helaas noemt hij geen datum, plaats, dirigent of solist:
La Rapsodie pour orchestre et saxophone du regretté Claude Debussy n'a nullement, comme bien vous penses, l'allure d'une oeuvre concertante; elle se présente bien plutôt comme un tableau orchestral dans lequel l'instrument principal s'impose surtout par le caractère si particulier de son timbre bien que les passages de virtuosité ne lui soient pas ménagés par l'importance de ses proportions, la richesse de son coloris, la saveur rare de sa qualité musicale, cet ouvrage qui s'apparente aux meilleurs qu'ait écrits son Auteur, est digne des Nocturnes et des Images.
Vallas schreef over het werk het volgende:
...ces pages qu'animent des rythmes espagnols et où l'on retrouve les lignes nettes, l'expression assez précise des autres partitions composées par Debussy autour de l'an 1903. (5)
Aan het werk valt op, dat de saxofoon geen solistenrol speelt, zoals in de meeste andere solostukken met orkestbegeleiding. De officiële titel is niet voor niets Rapsodie pour Orchestre et Saxophone principal. Meer dan virtuoos, is dit een "sfeer-stuk" te noemen. De steeds wisselende combinaties van saxofoon en orkestinstrumenten zorgen samen met de afwisseling van thema's voor het rapsodische karakter van dit stuk.
Uit behoefte het stuk "interessanter" te maken voor de saxofonist hebben enkele musici, waaronder Sigurd Rascher, Ronald Tyree en de dirigent Ernest Ansermet gedeelten van de orkestpartijen voor de saxofoon bewerkt.

In Boston ging op 5 januari 1903 Choral varié van Vincent d'Indy in première. Léon Vallas heeft in de biografie van d'Indy (3, 3-p.435) enkele bladzijden gewijd aan dit stuk (9). In navolging met César Franck's laatste orgelwerken, keert d'Indy de normale volgorde (eerst koraal, dan de variaties) van ontwikkeling om. Het koraal komt voor het eerst in de ware vorm (4/4 maat) voor aan het eind van het werk. Het begin van de compositie is in 3/4 maatsoort en draagt als aanduiding Mouvement de passacaille. Vallas vindt het op enkele aanmerkingen na qua stijl een origineel werk.
In La Revue Musicale van 1903 (bladzijde 722) vinden we onder Publications Nouvelles een uitgebreide analyse van het stuk door Louis Laloy. Ik heb deze analyse in zijn geheel bijgevoegd, omdat het naar mijn weten het enige stuk is waar zoveel aandacht besteed wordt aan één van de "Hall" werken of zelfs aan een saxofooncompositie (Bijlage III).
Naar mijn weten is er geen opname met orkest van dit werk. Na deze commentaren en analyses wordt de nieuwsgierigheid gewekt naar dit stuk, dat zo'n succes was bij het Amerikaanse en Franse publiek.

Georges Sporck schreef niet alleen de Légende, hij gaf er ook een analyse bij, die met de muziek in druk verscheen (1906). Van Sporck is bekend dat hij geanalyseerde partituren uitgaf van werken van Bach, Mozart, Beethoven, Mendelssohn en Schumann (8). Dit deed hij ook met zijn eigen werken.
Légende is een laat-romantisch stuk, dat aan Fauré en Franck doet denken. Net als in Choral varié komt ook hier een citaat uit de Tristan van Wagner voor.

[image of music]

[image of music]

Maat 7 en 6 voor Q maat 2 en 3
Légende Sporck Tristan und Isolde Wagner

Het werk is geschreven in Villerville en gedateerd september 1905. De première was op 2 januari 1906 in Boston, onder leiding van Longy. In datzelfde jaar waren nog twee uitvoeringen in Parijs: op 1 juni en Boulogne sur Mer op 17 augustus, dit alles onder leiding van Sporck zelf. Wie de saxofonist was, is niet bekend.
De orkestratie is voor symfonieorkest; de saxofoonpartij heeft naar mijn mening een solistischer rol dan in de Rapsodie van Debussy.

De Rapsodie van Georges Longy vond ik in gedrukte vorm in de Bibliothèque Nationale onder nummer K12640. Het is een kamermuziekwerk: twee A-klarinetten, saxofoon, harp, drie pauken, fagot en contrabas. De saxofoon vervult de "solo"partij. Enkele virtuoze maten (chromatische passages) alleen of met schaarse begeleiding, een lyrische passage samen met de harp en een kadens. Naast de saxofoonpartij heeft ook de harp een belangrijke rol met enkele virtuoze passages samen met de lyrische saxofoon en de klarinetten en een kadens. Ik hoop dat we het werk binnenkort kunnen uitvoeren.

De Rapsodie van Jules Mouquet is uitgegeven bij Evette et Schaeffer, een voormalige saxofoonfabrikant en muziekuitgeverij. De collectie is overgenomen door uitgeverij Leduc, wier toestemming ik kreeg deze Rapsodie te mogen copiëren, omdat die niet meer in de handel verkrijgbaar is.
Deze versie is met pianobegeleiding. De orkestratie is voor saxofoon en kamerorkest. Hemke weet te melden dat het werk nooit tot een uitvoering kwam (3, 3-p.443). Misschien is gebrek aan tijd de oorzaak waarom dit werk nooit tot een uitvoering kwam. Immers al eerder is vermeld dat het aantal concerten vanaf 1908 verminderde.
Een langzame inleiding gaat vooraf aan een Allegro met als hoofdthema:

[image of music]

Als in een rondo komt dit thema voor, afgewisseld met lyrische passages. Een modulatie van g klein naar G groot brengt enige variatie in het ogenschijnlijk monotone werk. Een curieuze opmerking vlak na de modulatie is vermeldenswaard: in de pianopartij staat één aanwijzing over de orkestratie: Sax: Tenor, Baryt; waarschijnlijk een aanwijzing van de componist over de orkestratie, die men vergeten heeft weg te halen bij het drukken van de saxofoon-piano versie. Zou de Orchestral Club meer saxofonisten gehad hebben of is dit een alternatieve versie voor harmonieorkest? Het New England Conservatory zou ook hier een oplossing bieden door de manuscripten uit te geven.

Léon Moreau schreef zijn Pastorale in 1910. Het werk heeft drie delen: Chanson, Idylle en Danse. Slechts de saxofoon-piano versie van dit werk is gedrukt.

Florent Schmitt schreef in 1918 zijn Opus 66: Légende voor saxofoon en orkest. Het werk is opgedragen aan Mrs. Hall. Hoe Schmitt in contact kwam met Mrs. Hall, is niet bekend. Wel is bekend dat zij dit werk zelf niet meer uitvoerde. Misschien ging dit werk technisch boven haar mogelijkheden? De orkestbezetting is zeer uitgebreid. Alle blazers zijn minstens in drievoud en een harp is opgenomen in de orkestratie. Helaas heb ik het werk maar eenmaal met orkest kunnen beluisteren: Jean-Marie Londeix speelde het op het Zeven Wereld Saxofoon Congres in Nürnberg in 1982. Het werk verdient een betere plaats in het repertoire van de concertsaxofonist.
Het werk heeft veel oosterse invloeden, één auteur vergelijkt het werk zelfs met een Oosterse nacht (7). De versie met altviool komt mijns inziens niet goed tot zijn recht daar er vele passages zijn, waar de solopartij volledig door het orkest wordt "overspoeld". dit is bij de saxofoonversie het geval, maar nog meer bij een uitvoering met een altviool.
Componist Titel Exotisch Technische
moeilijkheidsgraad
Rol Bezetting
naam muziek sax orkest
Loeffler Divertissement espagnol ja Spaans ? orkest instrument symfonieorkest met harp
Gilson 1er Concerto nee niet moeilijk solo begeleiding solo+symfonieorkest
Caplet Légende nee ? ? ? ? ?
Debussy Rapsodie ja Spaans matig solo/begel. solo/begel. solo+symfonieorkest met harp
d'Indy Choral varié nee nee matig solo/begel. solo/begel. solo+symfonieorkest
Sporck Légende nee nee matig solo solo/begel. solo+symfonieorkest met harp
Longy rapsodie nee nee matig solo/begel. solo/begel. kamermuziek met harp
Mouquet Rapsodie nee ja matig solo begel. solo+kamerorkest
Woollett Sibéria ja Russisch ? ? ? solo+symfonieorkest
Moreau Pastorale nee nee matig solo begel. solo+symfonieorkest
Grovlez Suite nee nee matig solo begel. kamermuziek met harp
Huré Andante nee ? ? ? ? symfonieorkest met 2 harpen
Schmitt Légende nee Oosters moeilijk solo/begel. solo/begel. solo+symfonieorkest met harp
Combelle Fantaisie mauresque ja ? moeilijk solo begel. saxofoon en piano

Invloed van de opdrachtgeefster op de werken.

Interessant is het te weten of Mrs. Hall enige invloed had op de opdrachten die zij gaf. De ene componist zal meer rekening gehouden hebben met haar (mogelijke) wensen dan een ander, maar er zijn enkele opvallende overeenkomsten tussen de stukken onderling, voor zover ze te bestuderen zijn, in genoteerde vorm of via een criticus.
Bekend van Mrs. Hall is haar voorliefde voor exotisme. Zij was bevriend met Dr. William Sturgis Bigelow, een expert op het gebied van orientaalse kunst (20).
Van de 22 werken heet er één Divertissement espagnol, één Sibéria en twee hebben het toevoegsel Mauresque. De overigen hebben vaak dezelfde namen: Légende (drie maal), Rapsodie (vier maal) en Fantaisie (ook Debussy dacht aan deze titel voor zijn compositie). Zo nu en dan zijn er oosterse, exotische of Spaanse invloeden te horen in de muziek. We moeten echter wel bedenken dat "exotisch" in de mode was rond 1900.
Veel werken hebben geen of weinig technische virtuoze passages in de saxofoonpartij. Het wordt de Rapsodie van Debussy zelfs verweten.
In het bovenstaande schema heb ik geprobeerd zo goed mogelijk enkele van deze kenmerken onder te brengen.

Conclusies: 14 werken waarvan

Toelichting bij het schema: de aanwijzingen, dat er verband zit tussen de werken, zijn vaak zeer vaag en veel gegevens zijn onbekend; toch zijn er volgens mij aanwijzingen voor enige invloed van Elise Hall op de composities. In het schema heb ik veertien werken opgenomen, waarvan ik iets weet, via krantenberichten of via de gedrukte partituren.
Om de "exotische" voorliefde van Mrs hall aan te tonen, moet men het woord exotisch hier zeer ruim nemen; folkloristisch zou misschien een betere benaming zijn.
Over het beoordelen van "exotische" karakteristieken in muziek zou men een hele verhandeling kunnen schrijven. Bij de beoordeling heb ik me gehouden aan wat men direct identificeert met Spaans, oosters, Russisch en dergelijke of als anderen dit gesignaleerd hebben.
De moeilijkste saxofoonpartijen zijn geschreven door componisten die ogenschijnlijk weinig of geen contact hebben gehad met mrs. Hall. Gilson's Concert is niet aanwezig in de Hall collectie en Hemke en Radnofsky maken geen melding van het stuk. Schmitt schreef zijn werk in 1918 en Combelle in 1920. Ook deze twee werken zijn niet in de collectie aanwezig.
Bij de kolom "Rol van de saxofoon en orkest" vond ik vrij veel solopassages in het orkest en "begeleidende" passages in de saxofoonpartij.

Kan het zijn dat Elise Hall niet in eerste instantie een soloconcert vroeg, maar een werk met saxofoon en orkest dat interessant genoeg was voor beide partijen? Zij was niet alleen fervent saxofoniste, maar ook presidente van "haar" Club. Was het haar wens ook dat er voor één of meer harpen georkestreerd werd? De kwestie van de naamsverandering van het werk van Debussy doet denken aan een specifieke opdracht: Fantaisie Mauresque, Rhapsodie Orientale, Rhapsodie Mauresque pour orchestre et saxophone en als laatste Rapsodie (veranderd door Roger-Ducasse).


Literatuurlijst

  1. Nicolas Slonimsky, H.Earle Johnson - Boston, in: The New Grove Dictionary of Music and Musicians - Londen, 1980 Bd. 3 pp. 81-87
  2. Henry Raynor - Music and Society since 1815. - London, 1976 Hfst. 10 pp. 163 e.v.
  3. Frederick Hemke - The Early History of the Saxophone, - Dissertation University of Wisconsin, 1975.
  4. Jean-Marie Londeix - 125 Years of Music for Saxophone - Paris 1969
  5. Léon Vallas - Claude Debussy et son Temps. - Paris, 1932 pp.238-240
  6. François Lesure - Claude Debussy: Lettres. - Paris, 1980 pp.125,143
  7. Yves Hucher - Florent Schmitt. - Paris, 1950 p.LVIII.
  8. Riemann Musik Lexikon (ed.Carl Dahlhaus) - art. Sporck, Georges. Mainz, 1975.
  9. Léon Vallas - Vincent d'Indy. - Paris, 1950 pp. 243-245
  10. Philippe Moreau - Elise Hall, in: Le Monde Musical, 30 mei 1904.
  11. Auguste Mercadier - Elise Hall, in: Le Monde Musical, 30 mei 1905.
  12. Kenneth Radnofsky - Elise Hall : remembered by a friend, in: Saxophone Sheet 15 (winter 1977).
  13. Kenneth Radnofsky - America's first concert saxophonist was a woman, in: Saxophone Sheet 22 (spring 1980).
  14. Albert Bertelin - kritiek van concert op 11 of 14 mei 1919, in: Le Courrier Musical 1919 (1) p. 361
  15. Kenneth Radnofsky - Programmatoelichting voor concert op 1 maart 1978 in Jordan Hall (New England Conservatory).
  16. Jean-Marie Londeix - A propos de quelques oeuvres originales pour saxophone, in: Bulletin de l'Assafra no.6 (avril 1975).
  17. Jean-Marie Londeix - A propos de "La Rapsodie pour Orchestre et Saxophone", in: Bulletin de l'Assafra in: Bulletin de l'Assafra no.9 (octobre 1976).
  18. Ronald Tyree - Voorwoord tot Claude Debussy, Rapsodie for Saxophone and Orchestra, edited by Ronald Tyree - London, 1977.
  19. Jacques Desloges - Elise Hall et la Rapsodie de Debussy, in: Bulletin de l'Assafra no. 6 (avril 1975).
  20. William H. Street - brief aan Maaike Gerlsma d.d. 7 maart 1983.

Bijlage I

The story of the Rapsodie for alto saxophone and orchestra (1) by Claude Debussy began with an American lady, Elise Hall, who was a pioneer in developing the repertoire of the saxophone. She and her husband, Richard Hall Jr. (2), resided in Boston, Massachusetts where she was president of the Orchestral Club. As a family of some means the Halls also owned a house on the French coast (3) where they spent much time. According to Debussy biographers Leon Vallas and Victor Seroff, Mrs. Hall began the study of the saxophone for her health and for its ease of fingering (4). The teacher with whom she studied was one of the foremost woodwind instrumentalists in Boston, Georges Longy (5), principal oboist of the Boston Symphony. Discovering that the saxophone had little repertoire of its own Mrs. Hall used Longy's acquaintance of and influence among leading French composers of the time to secure at least twenty commissioned works for the saxophone, ensemble music included. Chief among this group of composers were Vincent d'Indy, Florent Schmitt and Claude Debussy.
In 1895(?) (6) Elise Hall corresponded with Debussy, hoping to commit him to a piece for the saxophone by including a commission along with her proposal. Debussy accepted the commission with little thought and settled back into his usual activities. He apparently dismissed her project from further consideration until June of 1903 when Elise Hall unexpectedly came to his door and inquired about her piece. He assured her that he was occupied primarily with her piece and one other, Ramses II. Having witnessed an example of the tenacity of Americans (7), Debussy set out to honour his obligation. However, like many others who were coaxed into writing for the saxophone, Debussy was unacquainted with its possibilities, and inquired among his colleagues about the instrument (8). On one occasion he had the opportunity to hear Mrs. Hall in a performance of d'Indy's Choral varié, also a piece which she commissioned. The whole incident struck Debussy unfavourably, both the instrument as ungraceful and Elise Hall as creating a ridiculous spectacle (9). Consequently work on her piece lagged again, but nevertheless Debussy indicated his intention to honour her commission in a letter to his publisher in 1905.
Even the title of Mrs. Hall's piece was not to be easily chosen. At different times Debussy referred to it as a Fantaisie, a Rapsodie orientale, or a Rapsodie Mauresque, though it was to be finally published simply as a Rapsodie. In 1911 he constructed a rough draft or short score of the piece with some instrumentation intentions noted and sent it thus to Mrs. Hall. In 1919, the year after Debussy's death, the French composer Roger-Ducasse completed the orchestration in accordance with Debussy's specifications, and the Rapsodie was premiered at the Société Nationale de Musique on May 11 of that year. It should be noted here that the orchestration of several major works by Debussy was completed by colleagues for him.
In the original edition (including full score and piano reduction) we find evidence for understanding Debussy's possible dissatisfaction with the piece. One notices that the solo part is overshadowed by long, extended tutti passages which are often the more dramatic moments and florid textures. Thus it seems to be a disappointing solo piece, though nonetheless a brilliant work of unquestionable merit. If indeed the major defect of the work arose out of Debussy's uncertainty about the saxophone, then it becomes feasible to scrutinize the original edition with a view toward enhancing the solo aspect of the work by transferring part of the extended tutti passages to the solo instrument (this possibility was perhaps first recognised by Sigurd Rascher who has long performed the Rapsodie in a revised version). The end result is a solo work of great impact which deserves a secure place among the most distinguished pieces of the repertoire.
Th revised sections have been marked in the piano score so as to identify where the changes occur. Each saxophone passage which has been extracted from the orchestral texture is marked by the signs * en ** for the beginning and end respectively.
The present edition is based on comparisons of the original published editions of the full score and piano reduction with photo copies of the manuscript sources themselves, as found in the Paris Bibliotheque Nationale, Département de Musique.

Ronald Tyree
University of Iowa
Iowa City, September 25th 1976

Opmerkingen:
  1. In 1919 werd de titel Rapsodie pour orchestre et saxophone reeds veranderd in Rapsodie pour saxophone et orchestre. Dit gebeurde in het tijdschrift The Chesterian van juni 1919 (p.320) onder het hoofdstuk "Foreign Novelties".
  2. In het hoofdstuk Elise Hall van deze scriptie is te lezen dat Richard Hall in 1897 stierf aan typhus in Santa Barbara. Hierna is Mrs. Hall met haar twee kinderen pas teruggekeerd naar Boston, waar zij in 1900 betrokken raakte bij de Orchestral Club.
  3. Volgens Renée Longy huurde Mrs. Hall het huis naast dat van de familie Longy.
  4. Deze reden is geheel nieuw voor mij. Interessant zou zijn te weten waar Ronald Tyree dit feit gevonden heeft.
  5. Georges Longy fungeerde als coach voor de hele Orchestral Club. Hij gaf aanwijzingen aan alle leden afzonderlijk over de interpretatie van moderne muziek. Volgens Renée Longy heeft Mrs. Hall in Boston een saxofoonleraar gehad.
  6. In het hoofdstuk De opdrachten (in Rapsodie van Debussy) is beargumenteerd waarom 1895 niet goed kan zijn.
  7. Brief aan Messager van 8 juni 1903.
  8. Brief aan Pierre Louÿs uit juli 1903.
  9. Deze feiten komen uit Léon Vallas (5). Vallas vermeldt niet waaruit hij Debussy's reaktie heeft kunnen opmaken.

Bijlage II

affiche In 1904 nodigde Vincent d'Indy Mrs. Hall uit zijn Choral varié uit te voeren in een programma van de Société Nationale de Musique in Parijs.

Bijlage III

La Revue musicale 1903, pagina 722.

Publications Nouvelles.

Vincent d'Indy - Choral varié pour saxophone solo et Orchestre (op. 55) Paris, Durand et fils.
L'impression d'excentricité americaine, que donne d'abord la dédicace de cette oeuvre à Mme Elise Hall, présidente de l'Orchestral Club de Boston, se désipe dès la première page: l'orchestre expose, en canon, un chant simple et grave, un peu triste, de la tristesse des âges anciens.

[image of music]

Mouvement de Passacaille, est-il dit: on sait que la passacaille est une danse noble, une sorte de défilé rythmé, qui donna naissance à une forme particulière de musique: une basse ferme, obstinée, fait entendre le même motif, enguirlandé, dans les parties superieures de mélodies variées. Le chef-d'oeuvre du genre est la Passacaille pour orgue de J.S. Bach:

[image of music]

Mais la nouvelle oeuvre de M. d'Indy n'a de la Passacaille que son mouvement; le motif est beaucoup plus expressif que rythmique. Aussi le maître a-t-il préféré le traité en Choral varié: c'est là un autre genre ancien, illustré également par Bach, repris par Franck dans les toutes dernières années de sa vie (1).
Il présente des difficultés considérables, parce que il n'admet qu'une idée principale, celle même du choral, et n'est pas soumis à des règles fixes comme la fugue ou la sonate: on peut donc craindre d'une part la monotonie, d'autre part le découru ou le mauvais équilibre. Tout dépend de l'intelligence de compositieur et de sa faculté de développement, c'est-à-dire de la richesse harmonieuse des échos qu'une idée musicale éveille en son esprit. Des maîtres d'une inspiration puissante et d'une sincérité profonde comme J.S.Bach et Cés. Franck ont seuls réussi dans le choral varié. M. d'Indy y réussit à son tour, à force de conviction et de noble simplicité.
Une très légère modification du rythme lui suffit pour donner plus d'inquiétude au thème, à l'entrée du saxophone:

[image of music]

Quelle émotion timide et contenue, et que cette phrase convient bien à l'instrument au timbre voilé, lointain, que l'on sait! Les 2 parties de la phrase se superposent ensuite, comme dans l'exposition, la première confiée à l'orchestre, la seconde au saxophone, en un épisode mélancolique et calme. Puis le thème se passionne, monte au ton de la dominante (sol mineur) passe par une novuelle modification rythmique.

[image of music]

s'affirme énergiquement à l'orchestre, s'alanguit encore, comme un rêve, la fin de la phrase, et le saxophone rentre alors, pour un contre-chant d'une tristesse rêveuse et tendre.

[image of music]

Mais bientôt le ciel s'éclaire, et, sous de frémissantes broderies des violons et des flûtes la phrase réparaît, un peu étrange, forme indécise qu'on croit voir flotter dans l'air matinal. Elle se précise peu à peu et s'impose enfin, dans le ton primitif et en rythme égal.

[image of music]

C'est de dernier épisode, que termine un rappel, très lent, du rythme primitif, atténué, un sol aigu (pp) du saxophone; j'imagine que M. d'Indy, qui est un maître incomparable de l'orchestre, a écrit cette note avec plaisir: elle est d'un timbre effacé et pâli, et ne présente d'ailleurs aucune difficulté à cause du sol grave, qui précède (2). C'est du reste, dans toute l'oeuvre, la seule recherche de ce genre; impossible d'y relever la moindre trace de virtuosité; partout l'instrument solo garde son carctère expressif, et n'intervient que pour donner à l'ensemble mélancolie. C'est un acteur parmi les autres, un acteur principal, mais qui ne sort jamais de son rôle.
Telle est la dernière oeuvre de M. d'Indy. Elle est simple et elle est grande. La science n'y intervient que pour conduire avec sûreté le développement, lui donner de justes proportions, et moduler avec aisance et exactitude. La langue harmonique, malgré son accent moderne, est extrêmement claire et précise: le contrepoint sort de tout naturellement du thème qu'on commente, et s'unit à lui sans heurt et sans surprise. Tels sont les traits qui caractérisent non seulement la dernière oeuvre, mais aussi la dernière manière du maître; on les retrouve dans la partition de l'Etranger qui triomphe en ce moment à l'Opera: ici comme là, l'émotion est reine et la science est sa servante.
La beauté de ces oeuvres s'impose; en outre, je n'en connais point de plus saines et de plus fécondes en hautes leçons.
Louis Laloy.
1. Trois Chorals variés pour orgue, Paris, Durand et fils. Voir à ce sujet l'étude de M.d'Indy sur C. Franck parue ici même (no. du 1er juillet 1903, p.301). 2. On sait que le saxophone possède, à l'égal de la flûte et du hautbois, la faculté d'octavier.

© Maaike Gerlsma, december 1983